Elke vrijdag verschijnt er een hoofdstuk van Geschetst. Kamaris' tekent al haar hele leven het verhaal van hem. De tekeningen worden steeds onheilspellender. Wie is de roodharige vrouw? Wat heeft Kamaris ermee te maken.

H1: Kamaris

Geschetst Hoofdstukken

 ‘Je vergooit je leven’ schreeuwt haar moeder.’
‘Dan doe ik tenminste iets wat ik wil doen’ reageert ze net iets luider. Zo gaat het al de hele tijd, moeder schreeuwt iets en dochter probeert te reageren met een lichtelijk hoger volume. Al dagen begrijpen ze niks van haar keuze. Na het VWO, na 6 jaar op je tenen lopen, ineens stoppen met school. Geen vervolgopleiding. ‘Niet eens HBO’ hadden ze nog geschreeuwd.

‘Ik heb er gewoon geen zin in, mam. Mijn leven moet ik toch kun..’
‘JOUW LEVEN, JOUW LEVEN’, mevrouw van Wilgen stopt even met schreeuwen om in te ademen. ‘De laatste 18 jaar hebben wij betaald voor jouw leven, we kunnen toch niet toekijken hoe je alles vergooit.’ vervolgt ze op een kille toon.
‘Ik vergooi helemaal niks, ik neem een tussenjaar’ zegt ze met een overslaande stem. ‘Echt wel dat ik een keer ga studeren, maar gewoon volgend jaar ofzo.’ Kamaris gaat op een stoel zitten en zucht diep, haar moeder moet maar begrijpen dat ze geen economie gaat studeren, geen wiskunde of scheikunde. Ze wil alleen tekenen. Sterker nog ze moet tekenen, om het te begrijpen. Om te begrijpen wat er mis is met haar, maar dat kan ze haar moeder nooit vertellen.

Na urenlang bekvechten met een steeds hoger volume en steeds minder adempauze zijn ze dan eindelijk tot een compromis gekomen. Kamaris mag een tussenjaar nemen, één jaar. Daarna moet ze gaan studeren, medicijnen of iets dergelijks. Er is een voorwaarde, ze mag niet een heel jaar niks gaan doen. Ze moet verplicht of gaan werken of van die studiekeuzecursussen doen. Daarnaast mag ze ook een cursus tekenen volgen.  ‘Zodat je kan zien dat je helemaal niet bijzonder bent en echt een vak moet gaan leren!’

Nu zit Kamaris op haar kamer, bladerend door haar schetsboek. Honderden schetsen met daarop dezelfde man, nou ja, jongeman. Ze schat hem  begin twintig, en zij kan het weten zij heeft hem getekend. Op sommige tekeningen verschijnt een vrouw van rond dezelfde leeftijd. Een beeldschone vrouw die in niets op Kamaris lijkt. Kamaris heeft een donkerbruine huid en haar zwart als de nacht. Haar atletische figuur en haar lengte maken dat zij zichzelf graag vergelijkt met amazones, sterke vrouwen die hun eigen leven bepalen. De getekende vrouw is ook lang, ze heeft een prachtig vrouwelijk figuur. Haar huid is sneeuwwit en wordt gesierd door een prachtige jurk en de mooiste juwelen. Door de rode lokken die het fijne gezicht van de vrouw met een lichte slag omlijsten lijkt ze net uit een middeleeuwse prent gestapt. Het enige in de tekening dat meer straalt dan de groene smaragden om haar nek zijn de groene ogen die haar, als kunstwerk, afmaken. Deze ogen, zelfs getekend, kunnen iedereen vasthouden. Een blik en je bent verloren, soms in een droom, soms in een nachtmerrie.

Kamaris doet haar schetsboek dicht, ze kan nooit lang naar de vrouw kijken. Ze tekent haar zelf en ook redelijk regelmatig. Toch is ze een mysterie voor Kamaris. Zij en de man. Maar hem denkt ze te kennen, hij is vriendelijk en nobel. Staat voor mensen klaar, hij lacht altijd oprecht en open. Zij niet, zij kijkt uit haar ogen als een gifslang. Klaar om uit te vallen, maar alsof ze zelf nog niet zeker weet of het dit keer nodig is. Alsof ze nog niet weet of jij de juiste prooi bent. Of je het waard bent. Ze weet dat ze iets met elkaar te maken hebben. Kamaris weet dat er een verhaal is, een verhaal verstopt in haar tekeningen. Daarom moet ze doorgaan met tekenen, zoveel mogelijk.

De eerste zonnestralen glijden door haar zolderraam. Ze strelen haar gezicht en geven haar huid een karamelkleurige gloed. Een half uur later gaat Kamaris haar wekker, gewoon zo’n saai typisch geluid. Het geluid van de wekker is eigenlijk nooit welkom, maar op dagen als deze maakt Kamaris hier een uitzondering voor. Ze gaat vandaag eindelijk beginnen aan haar tekencursus op de universiteit. Is ze toch nog universitair bezig! 1-0 voor haar.

‘Fuck’ zegt Kamaris terwijl ze gaat zitten. De door een trein veroorzaakte wind laat haar korte zwarte haren voor haar ogen dansen. Niet door zomaar een trein, maar door haar trein. Ze  heeft nooit echt van treinen gehouden. Maar als ze wegrijden terwijl je net aan komt rennen dan haat ze die dingen echt. Sterker nog ze haat dan gewoon alles. Ze haat de mensen die wel op tijd zijn gekomen voor hun volgende trein. Ze staan zo rustig op het station te wachten terwijl zij met een oververhitte kop uit staat te puffen.  Ze haat de mensen die op tijd komen voor de trein die over een half uur gaat, de trein die ze nu zelf ook moet nemen.
In de trein is het redelijk rustig, rustig genoeg om alleen te zitten in ieder geval. Vreselijk vindt ze het als er mensen naast haar gaan zitten.

‘Sorry dat ik te laat was meneer, ik had problemen met… de treinverbinding.’ Voor Kamaris staat  een man van ongeveer midden 40, hij is wat zij altijd centraal kaal noemt. Je bent centraal kaal als je op één plek, bij voorkeur midden op het achterhoofd, kaal bent en je op de rest van je hoofd wel gewoon haar hebt. De man probeert duidelijk streng te kijken als hij Kamaris aanspreekt op haar gedrag ‘niet meer doen he!’ Het gaat hem duidelijk niet goed af, onder zijn frons twinkelen zijn ogen vriendelijk, haast vrolijk. Kamaris vergeet haar ergernissen van die morgen. De komende weken zou de donderdagmorgen een fijne morgen worden.  Ze kijkt de klas in, een schamele opkomst denkt ze bij zichzelf. In de groep zit een man of veertien en de blikken in hun ogen verraden dat slechts de helft ook daadwerkelijk aanwezig is.

Geïrriteerd slijpt ze haar potlood. Het schetsen wil niet lukken en dat komt allemaal doordat het potlood niet scherp genoeg is. Zelfs nadat ze twee potloden nagenoeg weggeslepen heeft, is de punt nog steeds niet puntig genoeg. Fruitschalen tekenen is gewoon niet haar ding. Kamaris gaat zitten en knalt demonstratief haar ellebogen tegen de houten tafel. ‘KUT’ ze bijt op haar lip om een stroom van ongepast taalgebruik binnen te houden. Door de tranen die in haar ogen opwellen heen ziet ze dat zo ongeveer de helft, de actieve helft, van de groep haar kant op kijkt. ‘Sorry, stroombotje’ zegt ze met een klein stemmetje. Een aantal van haar groepsgenoten kijkt haar geïrriteerd aan, maar het grootste gedeelte is bezig met hun ‘volmaakte’ appels en bananen. Ze kijkt naar haar eigen tekening, nou ja, tekening. Wanneer mag je iets een tekening noemen? Moet het ook ergens op lijken? Nee, gekke vraag, natuurlijk niet, moderne kunst. Ze rolt met haar ogen om haar eigen gedachtes, halverwege het rollen valt haar blik op meneer Koersma, de docent die we ook Wim mogen noemen, die recht voor haar staat. ‘Lukt het met de opdracht?’
‘Nee, het is een rotopdracht.’
‘Alleen omdat het niet jouw lievelingsopdracht is, is de opdracht nog niet rot’ reageert hij geamuseerd. ‘Volgende keer gaan we vast iets doen wat jij leuk vindt en goed kan.’ Hij kijkt haar aan en de neergeslagen uitdrukking op haar gezicht ontgaat hem niet. ‘Komop, je cijfer hangt niet van één opdracht af!’ Met een vriendelijk klopje op Kamaris’ schouder geeft hij het einde van hun vluchtige en eenzijdige conversatie aan en loopt verder.

Met een knal slaat ze het prullenbakje in de trein dicht. Die tekening gaat ze mooi niet mee naar huis nemen, dan kan haar moeder meteen zeggen dat ze gelijk heeft. Dat ze niet speciaal is en haar vader zou dan niets zeggen. Die vent zegt toch nooit wat, alleen afkeurend kijken kan hij. Soms is dat eigenlijk nog erger. Misschien hebben ze gelijk, de fruitschaal is echt onwijs mislukt. Als je vanaf een afstandje kijkt dan ziet het er nog wel … abstract uit. Van dichtbij is ook die illusie verdwenen en kan je gewoon de mislukte mandarijnen tellen, die overigens als appels bedoeld zijn.

Tegenover Kamaris zit een oudere vrouw te breien, ze ziet er gelukkig uit. Ze heeft veel lijnen in haar gezicht, maar het zijn wel vriendelijke, zachte lijnen. Soms verbaast ze zich over mensen. Sommige mensen zien er zo tevreden uit. Tevreden met wat het leven hen gegeven heeft. Zouden die mensen het dan beter hebben dan haar of gewoon sneller tevreden zijn? Ze wil het bijna vragen aan de vrouw, maar bedenkt zich toch. Je spreekt mensen niet zomaar aan in de trein. Zeker niet als ze er zo gelukkig uit zien. Misschien spat hun geluk dan plotsklaps uit elkaar. Alleen maar omdat zij zo nodig een praatje wilde maken. Nee, geen goed plan. Ze kan beter gewoon even haar Facebook checken.

Samen met tien anderen probeert ze zich door de treindeuren heen te wurmen. Eenmaal uit de trein is het probleem nog niet over, je moet je bewegingen goed aanpassen aan de groep. Op die momenten moet je de oerinstincten van het kuddedier activeren, anders loop je het risico te vallen en vertrapt te worden. Vertrapt door een menigte van mensen die allemaal naar huis willen. Middenin haar bedenkingen valt Kamaris’ blik ineens op hem. Ze zou zijn vriendelijke en open glimlach overal herkennen. Kort donkerbruin haar, piekerig geplakt tegen zijn blanke, maar zongebruinde huid. Dan ziet ze hem niet meer, opgeslokt door de menigte. Hij was het waarschijnlijk niet eens. Gewoon iemand die op hem lijkt. De rest van de reis naar huis is ze helemaal van haar stuk gebracht. Ze ziet hem de laatste tijd wel vaker, de man die op hem lijkt.

Vind meer artikelen over
, , , .

Gepubliceerd op 25/07/2014 om 10:00 in Geschetst en Hoofdstukken.

Geef een reactie

Wil je reageren, log dan in met Facebook of Twitter, of vul je naam en e-mailadres in.