Elke vrijdag verschijnt er een hoofdstuk van Geschetst. Kamaris' tekent al haar hele leven het verhaal van hem. De tekeningen worden steeds onheilspellender. Wie is de roodharige vrouw? Wat heeft Kamaris ermee te maken.

H2: Kamaris

Geschetst Hoofdstukken

De vijfde les tekenen alweer. Ze is de laatste weken echt gewend geraakt aan haar wekelijkse dosis vriendelijkheid van Koersma. Je moet het die man echt nageven, vrolijk is hij altijd. Zelf is ze ook vaak vrolijk tijdens tekenen. Eigenlijk alleen de eerste en de derde keer niet. Onderweg naar de derde les had ze hem weer gezien. Niet alleen gezien, ze hadden zich gezamenlijk met acht anderen door de treindeur, die voor maximaal 2-3 personen gecreëerd is, geworsteld. Ze stonden zij aan zij en op een gegeven moment raakte zijn hand de hare. Misschien was het ook andersom, haar hand raakte de zijne. Op dat moment was er een schok door haar heen gegaan. Ook al is het nu ruim een week geleden, ze kan de plek in het midden van haar hand nog voelen tintelen.

Tijdens de derde les moesten ze een model natekenen. Normaal vindt Kamaris dat erg leuk, maar het ging helemaal fout. Ze heeft de mooiste, meest realistische tekening gemaakt sinds ze voor het eerst een potlood in haar handen kreeg. Het was niet het model, de man die afgebeeld stond op het papier. Het was hem. Hij met het gezicht vol rechte lijnen zonder dat hij er hard van wordt, met een rechte neus en een hoekige kaaklijn, maar een gebogen glimlach. Zongebruinde huid, kort piekerig bruin haar en de mooiste blauwe ogen die je ooit gezien hebt. Maar het model was, net als Kamaris, niet blank. Haar tekening was overduidelijk geen portret van het model. Meneer Koersma is gelukkig niet boos geworden, maar ze voelt zich toch rot. Soms vraagt ze zich af of ze wel mooi kan tekenen. Misschien zit er iets in haar dat mooi kan tekenen. Iets dat de geheimzinnige man kent en weet wie de roodharige vrouw is.

Vandaag staat er landschapstekenen op het rooster. Haar tekening is niet lelijk, maar zeker niet exceptioneel. Haar schetsblok vol landschappen met hem erin zijn dat wel. Die zijn haast fotografisch. Gelukkig vindt meneer Koersma dat ze talent heeft. Tenminste dat zei hij toen ze wegging.

De terugweg met de trein was dodelijk saai. Aan het begin van haar tussenjaar kon ze de trein nog waarderen, maar nu ze er, door haar studiekeuzebegeleidingsprogramma, vier keer per week in zit, kan ze er niet meer van genieten. Ze zit gewoon de hele reis, met haar muziek in haar oren,  nietszeggend voor zich uit te staren. Kijkend naar buiten, naar het landschap dat voorbijraast. Uit verveling heeft ze tien minuten lang het kleine litteken in de palm van haar linkerhand bestudeerd, dat heeft ze opgelopen toen ze ging oefenen met fietsen zonder zijwieltjes, op een grindpad. De enige momenten waarop ze alert wordt, zijn de momenten dat ze hem denkt te zien. Die man die precies op hem lijkt bedoelt ze natuurlijk. Want hij is slechts een tekening en de man is gewoon een treinreiziger die regelmatig in hetzelfde traject zit.

Vanmiddag is het heel rustig in de trein. Fijn vindt Kamaris, dan is het uitstappen tenminste niet zo’n enorm gevecht. Op het moment dat ze richting de deuren loopt ziet ze hem staan. Hij staat nog alleen dus ze zou hem goed kunnen bekijken. Misschien zelfs aanspreken. Kamaris gaat naast hem staan en staart hem ongegeneerd aan. Hij is precies zoals de tekening. Alles klopt. De groene vlekjes in zijn felblauwe ogen, zijn volle lippen. Ineens stapte de man naar voren, de deuren waren opengegaan tijdens Kamaris haar moment van fascinatie. Nog steeds gebiologeerd zet ze, zonder na te denken, een stap naar voren. Een stap de diepte in.

Alles draait, gaat veel te snel. Ze grijpt naar zijn jas, naar zijn armen, naar zijn benen. Ze gilt tot ze uiteindelijk grip heeft op zijn warme handen. Ze heeft hem te laat vastgepakt. Met een krakend geluid komt haar scheenbeen op de grond terecht. Een brandende pijn schiet vanuit haar been door haar hele lichaam. Ze vangt haar gewicht op met haar linkerhand, met meer brandend vuur als resultaat. Er is niemand om haar heen om haar te helpen. Alleen hij is er. Hij knielt bij haar neer om te vragen hoe het gaat. Dan kijkt hij met een verschrikte blik naar haar been. Ze ziet hem wit wegtrekken maar ze ziet haar been zelf niet. Hij raakt haar, nog onbeschaafde, rechterhand aan met zijn linkerhand.. Niet bewust, constateert ze in een moment van helderheid, hij probeert slechts zijn evenwicht te bewaren. Een tinteling trekt door haar hand  haar lichaam in terwijl ze hem recht in zijn ogen aankijkt. Zijn ogen zijn blauw als een uitgestrekte oceaan. Het is cliché om in zijn ogen te verdrinken vind Kamaris, maar dat is wel wat ze doet. Spartelend om boven water te blijven vindt ze eilanden in de groene vlekjes. Tropische eilanden die haar veiligheid schenken in zijn azuurblauwe zee. Groene eilanden. Groene vlekjes. Groene ogen. Haar ogen. In zijn blik ziet ze haar. Haar eilanden zijn niet langer veilig. Ze wordt omringd door rood krullend haar. Door een felgroene blik, gereed om uit te vallen. Kamaris wordt losgerukt uit haar –bijna- trance. Geschrokken van de angst die zij,  de vrouw die ze zelf tekent, haar aanjaagt staat ze op. Hij staart haar aan. Kamaris sleurt haar tas van de grond, de abrupte beweging doet de inhoud van de tas schudden en een kladblok valt op de geribbelde stationsgrond. In haar ooghoeken ziet Kamaris haar kladblok vallen, ze besluit dat ze een nieuwe koopt en loopt in een stevig tempo weg. Op haar versleten All stars laat ze haar kladblok en een verbouwereerde man achter zich.

Kamaris stapt op haar Vespa scooter om vanaf het station naar huis te scheuren. Toen ze nog lang haar had waaide haar haren altijd voor haar gezicht. Nu zijn haar haren kort en heeft ze nergens last van. Net zoals in de trein raast de wereld aan haar voorbij. Op de scooter is fijner dan in de trein. In de trein zit je stil en heb je alle tijd om over van alles na te denken. Over hem. Op de scooter ben je veel meer bezig met het verkeer, je snelheid en het tranend wegknipperen van vliegen die in je ogen verdwaald zijn.

Na twee stoplichten, drie bochten en een rotonde rijdt Kamaris haar straat in. De grote huizen in haar straat verraden al dat hier niemand woont die minimumloon verdient. Halverwege de straat rijdt Kamaris een oprit op. Haar oprit. Haar moeders oprit. Het huis is spierwit en op dagen als deze, dagen waarop de zon fel straalt, wordt het licht door het huis gereflecteerd alsof ze contact proberen te leggen met buitenaards leven. Kamaris stapt van haar scooter af en trekt de witte garagedeur, behorende bij de witte garage, met een ruk open. Klunzig duwt ze de scooter naar zijn plek midden in de garage. Naast haar scooter staat enkel haar fiets. Geen fietsen of scooters die mogelijk bij broertjes en zusjes kunnen horen. Ze is enig kind. Vroeger vond ze dat altijd erg vervelend. Toen ze heel klein was vroeg ze altijd aan haar moeder waarom ze geen broertjes en zusjes had om mee te spelen, haar ouders deden dit namelijk niet erg vaak. Haar moeder reageerde steevast met ‘Je bent enig kind en een enig kind’. Dat was voor haar natuurlijk geen bevredigend antwoord geweest. Ze bleef het vragen tot haar moeder Kamaris oud genoeg vond voor het ‘echte’ verhaal. Haar moeder kan zelf geen kinderen krijgen. Dat was ook de reden dat ze Kamaris geadopteerd hebben. Na jaren van proberen om kinderen te krijgen werd de diagnose gesteld zo vertelde haar moeder. Daarna heeft Kamaris nooit meer gevraagd waarom ze geen broertjes en zusjes heeft. Thuis praten ze niet graag over moeilijke dingen. Die worden weggestopt en genegeerd. Ze heeft geen goede band met haar ouders. Ze hebben nooit tijd voor Kamaris. Tijdens haar diploma-uitreiking van VWO waren ze op ‘zakenreis’, met zijn tweeën, in een luxe hotel, op Hawaï. Als ze niet op vakantie zijn dan zijn ze wel echt aan het werk. Werken zorgt voor geld. Dat geld zorgde voor de verschillende oppassers die ze in haar leven heeft gehad. Voor de cadeautjes waarmee zogenaamd liefde wordt gekocht, bijvoorbeeld dure Vespa scooters. Maar dat geld zorgt ook voor alle andere luxe waarin ze leeft. Zoals de grote achtertuin waardoor ze nu richting haar huis loopt. Ze kijkt om zich heen en ziet het zwembad dat, door het prachtige Nederlandse weer, welgeteld één week in het jaar gebruikt kan worden.

Niet dat ze ontevreden is, ze begrijpt hoeveel mazzel ze heeft met alle luxe en de welvaart waarin ze leeft. Soms is dat juist wat ze moeilijk vindt. Haar biologische moeder kon haar niet houden, dat weet ze. Haar moeder wilde haar niet het hele verhaal vertellen, maar Kamaris heeft een vermoeden dat haar biologische moeder te arm was, misschien zelfs verslaafd. Ze kwam oorspronkelijk uit Afrika, specifiekere informatie konden haar ouders niet geven over haar moeders achtergrond. Haar biologische moeder was erg jong toen ze zwanger was. Haar vader was Nederlands, maar niet meer samen met haar biologische moeder. Haar biologische  moeder leefde en leeft misschien in vreselijke armoede, of leeft helemaal niet meer. En zij leeft hier in luxe. Ze loopt langs de witte tuinstoelen, die door de schaduw van de witte parasol grijs lijken, de keuken in.

Ook binnen voert wit de boventoon. Het hele huis is wit, met hier en daar een gekleurde accessoire. Soms, maar dat zal ze nooit hardop zeggen, heeft ze het idee dat ze voor haar ouders ook zo’n accessoire is. Een lichtbruin accent in hun verder witte leven. Ze ploft in de gebroken witte stoel, neerkomend op de donkerblauwe sierkussens. Kamaris hoort haar moeder de trap aflopen. Ze telt de voetstappen die neerkomen op de treden en exact op het moment dat ze het verwacht wordt de deur opengegooid en stapt haar moeder de huiskamer binnen. Ze draagt een verschrikkelijk strakke groene broek met daarop een felrood T-shirt, ze straalt meer kerst uit dan de Kerstman. ‘Hoe is het gegaan bij je tekenlesje vandaag?’ vraagt haar moeder terwijl ze richting de huiskamer loopt. Tijdens het lopen vallen Else van Wilgen haar ogen op de schenen van haar dochter. Nog voor Kamaris kan antwoorden, ademt Else verschrikt in. ‘Wat heb je in godsnaam met je broek gedaan!’ schreeuwt ze alsof Kamaris niet recht voor haar zit. ‘Niks’ mompelt Kamaris terwijl ze een beetje voorover buigt om haar benen te inspecteren. Haar broek zit onder het opgedroogd bloed en in de stof zit ter hoogte van haar scheen een schaafplek. ‘Ik weet het niet. Ik weet niet hoe dat daar komt, ik voel helemaal niks.’ Onder aanmoediging van het paniekerig gegil van haar moeder trekt Kamaris haastig haar broek uit. Op haar been zit wat opgedroogd bloed en ze herinnert zich de stekende pijn die ze voelde toen ze uit de trein viel. Haar moeder komt aanrennen met een nat washandje, om de wond mee schoon te maken. Maar onder de resten van opgedroogd bloed is haar been ongeschonden. Kamaris kijkt naar haar linkerhand, de hand waar ze haar gewicht mee opving tijdens de val. Zoals ze al verwacht is er niks te zien. Haar huid is vlekkeloos. Dan valt haar blik op de plek in de palm van haar hand waar ooit een klein litteken had gezeten. Ongeschonden.

 

Vind meer artikelen over
, , , , .

Gepubliceerd op 01/08/2014 om 10:00 in Geschetst en Hoofdstukken.

Geef een reactie

Wil je reageren, log dan in met Facebook of Twitter, of vul je naam en e-mailadres in.