Elke vrijdag verschijnt er een hoofdstuk van Geschetst. Kamaris' tekent al haar hele leven het verhaal van hem. De tekeningen worden steeds onheilspellender. Wie is de roodharige vrouw? Wat heeft Kamaris ermee te maken.

H3: Stefan Brouwer

Geschetst Hoofdstukken

Hij zat rustig in de trein, nam het comfort van de eerste klas in zich op. Als hij gewoon reisde dan kon hij dat niet betalen. Nou ja, hij kon het wel betalen maar hij vond het onzin om daar zijn geld aan uit te geven. Zijn vriendin ook. Maar nu was hij aan het werk, dus kon het wel. Het koste niks. Hij vond het leuk om betere plaatsen te hebben dan anderen. Niet dat het hem iets uitmaakt wat anderen van hem vinden, maar hij wilde wel dat ze zagen dat hij het goed had. Nu zouden ze dat niet zien, aan zijn kleren zouden ze zien dat hij conducteur was. Dan maakte het niet uit of je in de eerste of de tweede klas zit. Toch zat hij graag in de eerste klas, daar was het rustiger. Vandaag was het sowieso erg rustig in de trein. Hij stak zijn hoofd langs de bankjes en keek door de eersteklas coupé de tweedeklas coupé in. Er zat een meisje of een vrouw, hij wist het niet. Meer kon hij ook niet zien. Het was wel rustig. Stefan keek op zijn horloge, het had een gouden wijzerplaat en een bruinleren band, en deed het niet. Hij viste zijn telefoon uit zijn zak en zag dat het 16.07 uur was. Hij keek weer langs de treinbankjes de coupé door. Het was nog steeds erg rustig, ze waren ook nog niet gestopt. Eigenlijk zou hij even een rondje moeten maken om te controleren of iedereen wel ingecheckt had.

Hij stond op om zijn rondje te maken, het leek wel erg stom om nu mensen te gaan controleren. Er waren helemaal geen mensen, dan moest hij door de hele trein heen lopen om een handjevol mensen te controleren. Sloffend liep hij de eersteklascoupé uit en dus de tweedeklascoupé in. Nog twee bankjes voor hij bij het meisje, de eerste passagier, was. Het was duidelijk dat ze zich verveelde. Ze leek haar linkerhand te bestuderen terwijl ze met rechts haar korte zwarte haar uit haar gezicht veegde. Het was wel een mooi meisje dacht Stefan. Niet heel mooi, dat was zijn vriendin ook niet. Gewoon een beetje mooi. Haar huid was mooi. Ze had een donkere huid, maar niet echt heel donker zegmaar, en ze had hele mooie grote bruine ogen. Niet zoals zijn vriendin. Toen hij echt bijna bij haar stond keek ze nog steeds naar haar hand. Ze had een enorme aantrekkingskracht op hem. Niet in de zin dat hij haar aantrekkelijk vond. Een lekker ding. Gewoon aantrekkingskracht. Alsof ze een connectie hadden. Het leek stom om haar nu te controleren. Hij had nog twee stappen over voor hij naast haar stond. Ze zou het stom vinden als hij haar controleerde, ze zou hem vast dom vinden. Dat wilde hij niet. Stefan had nog een stap om te beslissen wat hij zou gaan doen. Hij liep langs haar. Hij had besloten haar niet te controleren, omdat hij er geen zin in had. Niet omdat hij haar niet lastig wilde vallen. Ze keek nog steeds naar haar hand, misschien als ze omkeek dan zag ze hem lopen. Wat zou ze dan denken? Ze ziet vast dat hij zelfverzekerd doorloopt, ze denkt vast dat hij iets belangrijks moet doen aan de andere kant van de trein. Ze had niet door dat hij haar bijna zou gaan controleren. Doorlopen was de goede keuze geweest.

Stefan liep zelfgenoegzaam verder, verderop zag hij een man zitten. Hij kon hem niet controleren. Hij had al iemand niet gecontroleerd. Dan zou het gek lijken. Ze zouden zich afvragen waarom hij haar niet controleerde en hem wel. Misschien zouden ze denken dat hij het meisje mooi vond. Dat kon niet. De man keek hem aan. Hij keek een paar seconden terug en wende daarna snel zijn blik af. Eigenlijk wilde hij de man wel controleren, hopen dat hij een boete weg kon geven. Stefan vond die man niet leuk, hij was zongebruind. Stefan vond die mensen vervelend. Mensen die bruin waren buitenom de zomervakanties. Zelf was hij nooit bruin, ook niet in de vakanties. Mensen met rood haar worden alleen overal rood. Alsof de haarkleur zich over het hele lichaam wil verspreiden. Toch deed hij het niet. Wat zouden de mensen denken als hij het deed. Wat mensen van je denken is belangrijk, het maakte hem niets uit, maar het was wel belangrijk. Hij liep verder door de trein en kwam her en der mensen tegen die hij niet controleerde. Bij de derde passagier, een oudere vrouw, twijfelde hij wel even. Gelukkig was hij een daadkrachtig persoon, als hij een keuze maakte dan hield hij zich eraan.

Hij had uiteindelijk langs alle coupés gelopen en ging in de laatste, eersteklas, coupé weer zitten. Net als het meisje uit de eerste coupé staarde hij even naar zijn handen. Hij vond het, dacht hij, niet zo interessant als het meisje en stopte er al snel mee. De aantrekkingskracht die ze eerder op hem had uitgeoefend was langzaamaan verdwenen.

Een paar stations verder had de trein zijn eindstation alweer bijna bereikt. Stefan ook. Gelukkig kon hij zo naar huis, naar zijn vriendin, naar zijn dochtertje. Hij haalde zijn portemonnee tevoorschijn vanuit zijn kontzak. Daarin zat een foto van een klein meisje. Voor Stefan was het niet zomaar een klein meisje, het was zijn kleine meisje. Elke dag reed hij in treinen vol met mensen die op weg waren naar hun eindbestemming. Een medeconducteur had ooit gegrapt dat zij die niet hadden. Dat zij bleven gaan. Maar hij had wel een eindbestemming. Sophie Marie Brouwer. Zijn lieve prachtige dochtertje. Zij was elke dag zijn bestemming. Een glimlach verscheen op zijn, ietwat bleke, gezicht en hij legde zijn portemonnee naast zich neer.

Op het eindstation aangekomen bleef Stefan nog even zitten, hij was geen hoofdconducteur en kon dus relatief snel uitstappen, als hij dat zou willen. Dat wilde hij ook, maar hij wilde ook als laatste uitstappen. Na een paar minuten wachten vermoedde hij dat alle passagiers wel uitgestapt zouden zijn en hij stapte uit. Aan het einde van de trein zag hij een meisje,  het meisje dat naar haar handen gekeken had, uitstappen. Hij wist dat zij het was. Hij zag het aan haar korte zwarte haren, aan haar houding. Hij voelde het.  Ze stapte uit, maar stapte tussen de trein en het station in. Stefan voelde een scheut van pijn door zijn eigen been trekken toen hij haar scheenbeen op de stationsrand terecht zag komen. Een fractie van een seconde leek haar scheenbeen te knappen. Alsof er net iets onder haar kniesschijf een extra kniesschijf geplaatst was. Er stond ook een man bij, hij leek haar te helpen. Stefan liep rustig die kant op. Hij had de man geen 112 zien bellen en het was dus niet nodig om te rennen. Hoopte Stefan. Hij liep, met een lichtelijk versneld tempo, hun kant op. Nog voor hij ze had bereikt zag hij dat het meisje haastig opstond en wegliep. Hij vertraagde zijn pas, maar wilde nog steeds poolshoogte gaan nemen. Toen hij bij de man aankwam, viel zijn blik direct op de rode spetters op de grond. Een rilling trok door Stefan’s rug. De man stond nu ook en had een schetsblok in zijn hand. Rare tijd om door je tekeningen heen te bladeren dacht Stefan. Hij probeerde, terwijl de man door het blok bladerde, subtiel over de schouders van hem heen mee te kijken, . Wat een ijdeltuit, allemaal zelfportretten. Het blok stond vol met tekeningen van, zo leek het, de man zelf. Stefan bedacht dat hij beter maar weg kon gaan. Hij wierp nog een blik op het schetsblok en zag een tekening van een vrouw die hem de kriebels gaf. Ze was beeldschoon en ze gaf hem de kriebels. Haar felgroene ogen leken dwars door hem heen te kijken. De man keek plots om en zag Stefan staan. Stefan knikte hem gedag en liep snel het perron af. Hij liep de trap af en ging door de tunnel die zich onder het station bevond. Toen hij buiten stond reed het meisje van zojuist langs op haar Vespa. Gelukkig had ze niets.

Toen hij bij zijn fiets stond controleerde Stefan of hij niets vergeten was. Telefoon. Check. Fietssleutels. Check. Portemonnee. In zijn tas misschien. Hij rommelde wat in zijn tas, maar kon zijn portemonnee niet vinden. Op een drafje liep hij terug het station in. Door de tunnel en op de trap. De trein stond er nog. Een beetje buiten adem stond hij bovenaan de trap na te puffen. Hij liep de trein in en in de eersteklascoupé, waar hij voor het laatst gezeten had, vond hij zijn portemonnee terug. Hij opende zijn portemonnee. Pasjes, kleingeld en Sophie Marie. Alles van waarde zat er gelukkig nog in. Hij liep weer de trap af. Een onaangenaam gevoel bekroop hem. Een voorgevoel. Plotseling leek het tunneltje helemaal niet meer zo’n goede optie. Iets in hem, een vrij groot deel, wilde graag de trap weer op om nog even op het perron te blijven staan. Maar wat zouden de mensen denken als hij dat deed. Ze zouden hem laf vinden, dus hij liep gewoon door. Hij had ook geen echte redenen om ergens bang voor te zijn. Hij liep dagelijks door die tunnel. Toch.

Plotseling viel het hem op dat hij stil stond. Stond hij al lang stil? Langzaam zette hij weer een stap, weer een traptrede lager. Hij had nog negen treden te gaan. Nog negen treden om te bepalen of hij de tunnel in zou gaan of juist weer naar boven zou lopen. Het traplopen viel hem erg zwaar. Misschien was zijn conditie slechter geworden. Misschien kwam het erdoor dat hij zojuist nog gerend had. Zijn benen voelden steeds zwaarder aan. Ademhalen viel hem ook steeds zwaarder. Hij had het gevoel dat iemand cement in zijn lichaam goot. Het begon bij zijn benen. Nog vier treden. Maar steeg gestaag en had zijn weg naar zijn longen gevonden. Hij kon zijn rasperige ademhaling horen. Hij wilde eigenlijk gaan zitten. De laatste trede.

Hij liep de tunnel in. Iets in hem zei dat wanneer hij de tunnel uitkwam, dat hij dan bevrijd zou raken van het beklemmende cement. Nog maar veertig stappen en dan is hij buiten. Er komt iemand de tunnel ingelopen. Stefan probeerde zichzelf te vermannen. Probeerde normaler te lopen. Het was een vrouw, de persoon die de tunnel in kwam lopen. Ze kwam steeds dichterbij en leek recht op hem af te komen. Stefan bleef stilstaan. Hij voelde zich op een nare manier tot haar aangetrokken. Net zoals bij het meisje in de trein. Alleen was het bij het meisje als lucht en bij haar als cement. Ze was nog zes stappen van hem verwijderd. Ze was prachtig, maar je kon zien dat ze niet erg jong meer was. Vijf. Hij herkende haar. Hoe dichterbij ze kwam hoe jonger ze leek. Vier. Het cement leek zijn hersenen al bereikt te hebben, waar had hij haar eerder gezien? De ouderdomslijntjes rond haar ogen vervaagde. Drie. Felgroene ogen brandde in zijn schedel. Twee. Stefan besefte zich plots dat haar ogen het laatste zouden zijn wat hij ooit zou zien. Een. Het voelde alsof hij verdronk in het cement binnenin hem. De vrouw stond recht voor hem. Haar lippen bewogen, maar alles wat Stefan hoorde was gebonk in zijn oren. Hij viel op zijn knieën neer. Hij kon zijn eigen gewicht niet meer dragen. Stefan keek omhoog. Richting de vrouw met de rode haren. Het werd langzaam zwart voor zijn ogen tot alles, behalve haar groene ogen, was verdwenen. Dit was zijn eindbestemming. Zij was zijn eindbestemming.

Vind meer artikelen over
, , , , .

Gepubliceerd op 08/08/2014 om 10:00 in Geschetst en Hoofdstukken.

Geef een reactie

Wil je reageren, log dan in met Facebook of Twitter, of vul je naam en e-mailadres in.