Elke vrijdag verschijnt er een hoofdstuk van Geschetst. Kamaris' tekent al haar hele leven het verhaal van hem. De tekeningen worden steeds onheilspellender. Wie is de roodharige vrouw? Wat heeft Kamaris ermee te maken.

Hoofdstuk 10 : Tommy Dekkers

Geschetst Hoofdstukken

‘Koetjes!’ schreeuwde ik zo hard als mijn stembandjes toelieten. Ze stonden buiten en raasden langs de auto. Eigenlijk raasde de auto langs de koetjes. Zwart. Wit. Zwart. Wit. Koetjes. Ik keek naar de voorkant van de auto. Daar zaten mamma en pappa. Pappa was aan het autorijden, maar hij toeterde nooit. Stom. Naast mij zat Wim, maar hij was ook groter dan ik. Niemand keek naar mij of de koetjes. Ze misten ze.
‘KOETJES,’ krijste ik dit keer nog harder dan ik net gedaan had. Een glimlach van trots gleed over mijn gezicht, ik had echt heel hard gegild. Mamma keek daarna heel boos mijn kant op.
‘Tommy,’ zei ze geïrriteerd. Als mamma boos was, vond ik dat altijd heel erg stom. Want dan was ze ook altijd een beetje verdrietig.
‘Maar de koetjes,’ zei ik een beetje vertwijfeld. Ze miste bijna de koetjes dacht ik terwijl ik met mijn mollige vingertjes richting het weiland wees waar de auto aan voorbij schoot. Mamma keek weer naar voren. Niet naar al het zwart en wit dat elkaar gevlekt afwisselde. Wim keek ook niet. Zuchtend zakte ik dieper in het kinderzitje.
‘Mááám, moeten we nog heel lang rijden voor we thuis zijn?’ vroeg Wim.
‘Ja, we zitten net in België.’ zei mamma. Ik keek naar het gezicht van Wim of dat nog heel lang was. Wim zag er niet heel blij uit, het zal nog wel lang zijn. Misschien wel twee rondjes om de klok. Die gedachte zorgde ervoor dat ik heel erg moest lachen. Ik schaterde misschien wel harder dan dat ik net geschreeuwd had. Mamma keek weer om, maar ze is niet bozig ‘Tommy!’, ze moest ook lachen om de klok. Wim moest niet lachen, die keek raar. Wim snapte de grap van de klok niet denk ik.
‘Waarom moet je zo lachen Tommy?’ Mamma was gestopt met lachen, maar haar ogen lachten door.
‘Rondje om de klok,’ proestte ik uit waarna ik een adem teug nam die brandstof gaf voor een volgend lachsalvo.

‘Zijn we er bijna pap?’ vroeg Wim. Hij vroeg het niet aan mamma, die was een beetje in slaap gevallen.
‘Ja, nog tien minuutjes. Herken je het buiten niet?’
Ik keek snel uit het raam. Ik herkende het. Heus. Wim niet.
‘Ben je moe, mamma?’ vroeg ik omdat ik zag dat mamma weer haar ogen had geopend. Ze stonden een beetje dof, maar dat was de slaap die ze er nog uit moest wrijven.
‘Een beetje wel Tommy.’
‘Ik niet.’
‘Jij hebt de hele dag lekker kunnen slapen! Mamma moest wakker blijven en pappa de weg wijzen.’
‘En Wim.’
‘Wim heeft ook lekker geslapen.’
‘De weg wijzen.’ zei ik. Ze had Wim toch ook de weg gewezen?
‘Kijk daar staat het huis al!’ viel pappa in. Allemaal keken we de straat in. In het donker zag de straat er toch anders uit. Maar het was niet helemaal donker, zag ik.
‘Het licht in de huiskamer staat aan.’ zei pappa.
‘En mijn auto staat niet meer op de oprit.’ vulde mamma aan.
‘Is de auto weg? Dat is gek!’ zei ik, want ik moest iets zeggen.
Toen de voorste banden van de auto de stoep op dreunden ging er een schok door de auto. Ondanks dat ik vast zat in mijn kinderzitje trilde ik ook door de miniaardbeving. Toen de twee achterbanden de hobbel overwonnen kwamen de naschokken van  de beving. Pappa zette de motor uit en draaide zijn hoofd naar ons toe.
‘Pappa gaat even binnenkijken, blijven jullie met mamma in de auto?’
‘Ik zal op mamma passen!’ zei Wim stoer.
‘Oppassen?’ vroeg ik een beetje geschrokken.
‘Ja, tegen de boeven.’ Verklaarde Wim terwijl hij met een zelfverzekerde blik uit het lichtelijk beslagen autoraam tuurde.
‘Boeven?’ zei ik bang.
‘Er zijn geen boeven hoor lieverd. Pappa gaat gewoon even kijken waarom het licht aanstaat.’ zei mamma met een hele zachte en lieve stem.
‘Boeven.’ pruttelde ik zachtjes.

Pappa liep de auto uit, ik keek hem vanuit het raam zolang mogelijk na. Hij probeerde de deur open te doen. Het lukte zonder sleutel. Toen pappa naar binnen ging kon ik hem niet meer zien. Ik keek gelijk naar het raam. Als hij naar binnen ging moest hij voor het raam gaan staan en dan zou ik hem weer zien. Maar dat gebeurde niet.
‘Pappa?’ vroeg ik aan mijn raam.
‘Pappa komt zo Tommy, er is niets aan de hand.’
‘Pappa is boven met de boeven aan het vechten! Dan komt de politie en slaan ze de boeven helemaal in elkaar.’
‘Boeven.’
Toen liep pappa ineens voor het raam. Hij zag er moe uit. En verdrietig. Hij had de hele dag autogereden en mamma had hem de weg gewezen. Ik had geslapen. Pappa ging op de bank zitten, maar hij zou eigenlijk komen. Dat zei mamma.
‘Pappa,’ zei ik wijzend naar het raam. ‘Geen boeven.’
Pappa ging op de bank zitten en zakte helemaal in elkaar. Zijn hoofd hing scheef op zijn schouder. Niet zoals hij zat als hij naar de televisie keek. Pappa keek altijd naar saaie programma’s.
‘Zit Henk nu gewoon op de bank?’ zei mamma pissig.
‘Pappa,’ bevestigde ik.
‘Blijven zitten.’ zei mamma kordaat. Ze stapte uit de auto en liet een leegte achter. Ik voelde me zo stuurloos als een auto zonder chauffeur. Een brandweerauto.
‘Boeven?’ vroeg ik aan Wim. Wim keek niet meer zelfverzekerd uit het raam. Wim keek even bang als ik mij voelde.
Bij mamma duurde het niet heel lang voor ze ook voor het raam stond. Net als pappa liep ze alsof haar lichaam te zwaar voor haar spieren was. Vlak voor ze bij de bank, bij pappa, was, stortte ze in. Als een blokkentoren wanneer je per ongeluk het onderste blokje wegschuift met je hand of je voet. Boem. Op de grond.
‘Mamma!’ gilde ik.
‘Mamma!’ gilde Wim.
Met grote ogen keek ik naar Wim. En toen stapte Wim uit de auto.
‘Wim?’ zei ik zacht.
‘Mamma? Pappa?’
Wim liep ook naar binnen, de deur stond nog open. Ik zat vast in mijn kinderstoeltje. Toen strompelde ook Wim voorbij, langs het raam. Hij zette een grote stap en ging naast pappa op de bank zitten. Hij moest vast over mamma stappen. Mamma was een blokkentoren.
Toen gebeurde er niks meer. Heel lang. Misschien wel vier klokken rond. Het was nog steeds donker. Mijn broek was nat geworden. Stomme broek.
Toen stond mamma op. Ik zat vast in mijn stoeltje. Ze stond voor het raam en haar ogen wezen mijn kant op, maar ze keek niet naar mij. Mamma ging langs het raam het huis uit tot ze buiten stond. Ik kon niet weg uit de auto.
‘Mamma?’ vroeg ik bang. Ze leek op mamma, maar was mamma niet.
Ze kwam steeds dichterbij. Ik begon te huilen. Haar ogen waren rood als uitgelopen waterverf. Ze deed de auto open en maakte mij uit het kinderzitje los.
‘Mamma,’ gilde ik. Waar was ze. Ze zou terugkomen. Pappa zou terugkomen. Trappelend met mijn benen lag ik in de armen van mijn moeders lichaam. Ze liep mijn huis binnen. In de hal stond een andere mevrouw. Ze had rode krullen en felgroene ogen. Ze had haar vingers op haar lippen gelegd. Ik stopte met huilen. Mijn hoofd deed pijn van binnen. Op de bank zaten de lichamen van mijn broertje en mijn vader. Ik zat nog in mijn lichaam, maar zij niet meer in die van hen. Mamma ging met mij op de bank zitten en zette mij naast haar op de bank. De vrouw met de vuurharen en prik-ogen liep de kamer in. Ze keek mij net zolang aan tot ook ik niet meer in mijn lichaam zat.

Vind meer artikelen over
, , , , , .

Gepubliceerd op 10/10/2014 om 10:00 in Geschetst en Hoofdstukken.

Geef een reactie

Wil je reageren, log dan in met Facebook of Twitter, of vul je naam en e-mailadres in.