Elke vrijdag verschijnt er een hoofdstuk van Geschetst. Kamaris' tekent al haar hele leven het verhaal van hem. De tekeningen worden steeds onheilspellender. Wie is de roodharige vrouw? Wat heeft Kamaris ermee te maken.

Hoofdstuk 4: Kamaris

Geschetst Hoofdstukken

Het is onaangenaam stil in de woonkamer. Het type stilte dat op maximale volume lijkt te staan. Kamaris staart naar haar hand. Kamaris’ moeder staart naar Kamaris haar been.
‘Kamaris,’ begint haar moeder aarzelend, ‘waarom zit er bloed op je been?’ Kamaris scheurt haar blik los van haar hand en kijkt haar moeder met grote ogen aan.
‘Ik weet het niet. Echt niet.’
‘Bah!’ stoot haar moeder ineens uit.
‘Ga je wassen! Je weet nooit van wie die vuiligheid komt.’
Voor haar moeder is het onderwerp daarmee afgesloten. Moeilijke vragen zijn er om uitgesteld en afgesteld te worden. Aangezien Kamaris zelf ook geen antwoorden heeft, staat ze op en loopt ze de trap op. Boven aangekomen, gooit ze haar broek in de wasmand en vouwt ze haar shirt net op. Voor ze de douchecel instapt legt ze haar pyjamabroek klaar en een wijd T-shirt dat ooit van haar vader is geweest.

De hete stralen water vinden hun weg over haar gehele lichaam. De eerste vijf minuten schenkt Kamaris nergens aandacht aan. Ze staat gewoon en laat het water  stromen. Traag, maar gestaag begint ze met het schoonmaken van haar been. Ze is blij dat haar been straks ontdaan is van het opgedroogde bloed. Maar ergens vindt ze het ook vervelend. Als straks het bloed door het afvoerputje verdwenen is, heeft ze alleen het ontbreken van haar litteken nog om te bewijzen dat er echt iets bijzonders gebeurd is. Nadat alles is afgespoeld, droogt ze zich af. De handdoek is net iets te ruw en laat een rode veeg achter op haar huid.

Kamaris zit op de rand van haar bed. Zoals ze eerder al in de trein deed, staart ze naar haar hand. Ze herhaalt de gebeurtenis van die middag keer op keer in haar hoofd. Kamaris is een denker. Ze probeert alles te rationaliseren, de man, haar tekeningen en de verdwijning van haar litteken. Ze pakt een schetsblok uit haar tas om haar tekeningen te bekijken. Als ze het blok opendoet ziet ze dat deze helemaal leeg is. Het is het blok dat ze pas gekocht heeft, omdat de oude vol is. Ze graait dieper in haar tas om erachter te komen dat er geen andere schetsblokken meer inzitten. Dan herinnert ze zich weer dat haar schetsblok uit haar tas gevallen is op het station. Misschien heeft hij dan haar blok gevonden. Misschien heeft de man het blok gevonden vol met tekeningen van hem. Geschrokken ijsbeert ze door haar kamer. Wat zal hij denken, wat zal hij doen als ze hem weer tegenkomt. Paniekerig ijsbeert ze door haar kamer.

‘Wat is er gebeurd,’ mompelt ze. Ze staat op en loopt richting haar bureau. Nu ze rustig is voelt ze een hele lichte tinteling door haar hele lichaam. Een constante tinteling die daar altijd al lijkt te zitten. In gedachtes verzonken schuift ze de bureaustoel naar achter en gaat ze zitten. Als vanzelf trekt ze een lade open en haar handen vinden een etui. Ze legt haar tekenspullen op het bureau en pakt geautomatiseerd een vel A4 uit een andere lade. Normaal tekent ze in haar schetsblok, maar die kan ze nu niet vinden. Haar potlood krast over het papier. Terwijl Kamaris tekent, staart ze naar de klok. Langzaam kijkt ze weg en haar ogen vinden haar tekenpapier. Ze is aan het tekenen, dat kan ze zien. Maar ze doet het niet echt zelf. Ze heeft totaal geen controle over haar handen, maar het voelt niet storend aan. Verwonderd als een kleuter volgt ze de bewegingen van haar hand. Langzaam verschijnt het silhouet van een vrouw op het papier.

Ze kijkt weer richting de klok, het is twee uur later. Ze kijkt weer naar haar bureau. Haar tekenspullen zijn al opgeruimd. Ze kan zich niet herinneren dat ze dat gedaan heeft. Kamaris kijkt naar haar tekening. Ze schrikt. De locatie van de tekening is, voor het eerst, herkenbaar. Ze is daar gisteren nog geweest. Met een krachtige stoot duwt ze haar stoel van het bureau weg. Ze trekt schone kleren aan en loopt de kamer uit. Met een versnellend ritme dendert Kamaris de trap af en stapt ze de huiskamer in. Haar moeder zit op de witleren bank en kijkt met opgetrokken wenkbrauwen Kamaris’ richting op.
‘Waar ga jij naartoe?’
Kamaris staart haar moeder met een mond vol tanden aan, wat moet ze zeggen. Ze kan haar moeder niet vertellen dat ze naar de plek van haar tekening gaat.
‘Kamaris, waar ga je naartoe?’
‘Ik ga even naar buiten om,’ wat moet ze in godsnaam zeggen. Kamaris staat zenuwachtig te wiebelen.
‘Ja?’
‘Ik ga naar een vriendin, eventjes, doei mam!’
Kamaris loopt door de achterdeur naar buiten. Ze gaat steeds sneller lopen en halverwege de tuin rent ze. Ze gaat de garage in en stapt op de scooter. Ze rijdt haar straat uit en volgt de route waarover ze ook thuis is gekomen. Tijdens het rijden schieten er duizenden gedachtes door haar hoofd. Wie is zij? Als hij bestaat, bestaat zij dan ook? Nog nooit eerder had ze hem of haar getekend op een locatie die ze kende. Vaak herkende ze niks. De meeste tekeningen leken zich in het verleden af te spelen. Deze niet.

Ze zet de motor van haar scooter af en gooit het zadel omhoog om het kettingslot te pakken. Nadat ze de scooter op slot gezet heeft, kijkt ze even om zich heen. Het is maar een tekening. Het kan niet echt zo zijn dat zij hier is. Maar als ze echt gelooft dat het maar een tekening is, waarom heeft ze dan zo’n haast hier te komen? Bijna wil ze weer op haar scooter stappen om naar huis te gaan. Ze haalt zich dingen in haar hoofd. Het is allemaal slechts toeval. Dan kijkt ze weer naar haar hand. Haar linkerhand is nog steeds helemaal gaaf. Er is iets gebeurd.

Kamaris loopt richting het tunneltje dat naar het station leid. In haar gedachten ziet ze de tekening nog exact voor zich. Zij staat in het midden van de stationstunnel. Ze ziet er precies zo uit als op al Kamaris’ tekeningen. Beeldschoon, jong en dodelijk. Op deze tekening lijkt ze nog dodelijker, naast haar zit een man op zijn knieën, op de grond. Hij ziet eruit alsof hij in elkaar gezakt is. Kamaris krijgt de kriebels van de gedachte om de tunnel in te moeten. Halverwege de tunnel is er een trap die naar het perron leidt. Kamaris kijkt de tunnel in en ziet niemand in de tunnel lopen. Ze weet niet of dat haar geruststelt of juist niet. Langzaam stapt ze de tunnel in. Zoals altijd is het in de tunnel donkerder dan daarbuiten, vandaag stoort ze zich daaraan. Na een paar stappen is Kamaris over haar angst heen. Het is gewoon een tunneltje, dezelfde als altijd. Ze had verwacht iets te voelen of te zien. Er lijkt helemaal niks te gebeuren. Ze haalt zich dus toch gewoon dingen in haar hoofd.  Kamaris loopt verder de tunnel in. Eenmaal in het midden aangekomen, de plaats waar de vrouw op de tekening stond , is er nog steeds niks gebeurt. Kamaris staat op het punt om weg te gaan als ze een portemonnee op de grond ziet liggen. Ze raapt de portemonnee op om te kijken of ze een identificatiebewijs kan vinden. Zodra ze de portemonnee opent wordt ze toegelachen door een lief klein meisje met roodbruine haren en felblauwe ogen. Als ze verder door de portemonnee zoekt vindt ze een ID. Stefan Brouwer, het meisje is vast zijn dochter. Ze stopt de portemonnee in haar zak met de intentie Stefan Brouwer later op te zoeken. Als ze weer opkijkt lijkt de gehele atmosfeer veranderd. De lucht lijkt zwaarder, drukkender en waar de tunnel eerst donker was lijkt het nu duister. En dan lijkt alles ineens op haar af te komen. De lucht drukt op haar borstkas en het duister sluit haar in. Kamaris vecht voor een laatste hap lucht.

Ze loopt de trap af. Onwillekeurig telt ze de treden. Normaal doet ze dat niet, maar het lijkt nu vanzelf te gaan. Het voelt alsof er allemaal watten in haar hoofd gestopt zijn. Haar ledematen voelen zwaar aan. Ze heeft nog een paar treden te gaan. Ze ziet haar -haar?- voeten terwijl ze op de treden neerkomen. Haar ademhaling wordt rasperig. -Zijn ademhaling wordt rasperig.- Ze zet haar voeten op de laatste trede neer. -Hoe komt ze eigenlijk op deze trap terecht?Waar is ze?- Ze voelt dat ze de hoek niet om wil slaan. Ze loopt de tunnel in. Het gevoel dat ze naar buiten moet drukt alle andere gedachtes weg. Buiten zal het goed zijn. Dan ziet ze een vrouw aan het einde van de tunnel staan. Ze is zo’n 40 stappen van haar verwijderd. Een afstand die binnen een minuut overbrugt kan worden. De vrouw komt steeds dichterbij. -De vrouw! Kamaris herkende de haar. Het was de vrouw die ze schetst!- Ze is mooi, ze heeft lange rode haren die krullend op haar schouders vallen. Kamaris -hij- voelt zich tot de vrouw aangetrokken. Anders dan ze zich tot het meisje in de trein aangetrokken voelde. Ze haalt het meisje weer voor de geest. Ze heeft haar vandaag in de trein zien zitten. -Dat was zij. Die ze in de trein gezien heeft. Ze heeft zichzelf gezien in de trein. Hij heeft haar gezien in de trein.- Je kan aan de vrouw zien dat ze geen 20 meer is. Hoe dichterbij ze komt hoe jonger ze lijkt. De zwaartekracht trekt steeds heviger aan haar -hem-. Ze valt op haar knieën. Ze kan haar lichaam niet meer dragen. De vrouw komt steeds dichterbij. -Ze ziet er nu exact uit als op de tekeningen, een jonge, beeldschone vrouw.- Haar groene ogen branden in haar schedel. Ze kan zien dat ze haar lippen beweegt. -Ze zegt iets-. Ze kan het niet meer horen. Het geluid heeft plaatsgemaakt voor een allesoverheersend gegons in haar hoofd. De vrouw staat nu heel dichtbij haar. Het gevoel dat de vrouw het laatste zou zijn wat ze ooit nog zal zien beklemt haar. Alles wordt langzaam donker om haar heen. Alleen de stekende groene ogen blijven. Dan vlak, voor alles verdwijnt, -Ze gaat toch niet dood?- maakt de duisternis plaats voor een beeld. Een klein lief meisje. Ze heeft bruinrood haar en een prachtige glimlach. Sophie Marie Brouwer.

Kamaris voelt de grond weer onder haar eigen benen. Ze zit in elkaar gedoken op de grond. Ze hoort de wind door de tunnel, maar het blijft duister en beklemmend om haar heen. Ze vraagt zich af wat er is gebeurd. Had ze een visioen? Kamaris heeft moeite met ademhalen. Bij elke inademing krijgt ze net genoeg zuurstof binnen om het tot de volgende adem teug te redden. Haar hele lichaam lijkt in brand te staan met het brandpunt in haar longen. Dan voelt ze ineens een hand op haar schouder. Een bekende tinteling stroomt door haar lichaam. Als regen op een benauwende zomerdag stroomt de tinteling over haar huid en bevrijdt haar van de duisternis. Kamaris ademt een paar keer diep in voor ze haar hoofd optilt om te kijken van wie de hand is. Misschien omdat ze dat eigenlijk al weet. Ze draait zich om en kijkt recht in zijn blauwe ogen. Het is de man. Ze weet niet zo goed wat ze moet zeggen. Hij duidelijk ook niet. Ze staren elkaar in stilte aan.
‘Ik heb je schetsblok,’ hij haalt zijn rugzak van zijn rug en rommelt met zijn handen door de tas tot hij haar schetsblok vindt. Hij steekt zijn arm uit met haar schetsblok in zijn hand. Ze pakt het blok, draait zich om en loopt weg. Ze wil naar huis, ze moet nadenken over alles wat er gebeurd.
‘Kamaris, wacht!’ roept de man haar na. Kamaris draait zich abrupt om en kijkt hem aan. Ze loopt met grote stappen op hem af.
‘Hoe weet jij mijn naam’ zegt ze vinnig. Hij maakt een kalmerend gebaar met zijn handen en maakt vervolgens een beweging met zijn handen die het openslaan van een boek imiteren.
‘Wat?’ zegt ze geïrriteerd.
‘Je schetsblok,’ reageert hij grinnikend. ‘En je mag best wat rustiger doen hoor.’
Kamaris opent haar schetsblok. Ze heeft haar naam, adres en telefoonnummer op de eerste bladzijde geschreven. Voor als ze het blok kwijt zou raken, zoals nu.
‘Sorry’ ze slaat haar ogen neer.
‘Het is niet erg,’ hij is eventjes stil, ‘heb je nog meer van dat soort tekeningen?’
‘Ja,’ ze kijkt hem weer aan, hij ziet er goed uit, ‘ik heb nog een schetsblok vol thuis.’
‘Ik zou ze graag zien, hoe kom je aan de inspiratie voor je tekeningen?’
‘Ik teken ze gewoon.’
‘Oh..’

Hij pakt zijn telefoon uit zijn zak. Hij typt iets. Haar telefoon trilt in haar broekzak.
‘Nu heb je mijn nummer, we moeten een keer praten.’
Had hij gewoon haar nummer opgeslagen, hoe durft hij. Ze wil er wat van zeggen. Maar ze wil ook graag een keer met hem praten.
‘Bedankt.’
Na een kleine minuut vol stilte zegt hij gedag en draait hij zich om. Hij loopt de tunnel aan de andere kant uit. Kamaris staat nog even stil. Ze pakt haar telefoon om te kijken wat hij gestuurd heeft. Zoals verwacht heeft ze een bericht van een onbekend nummer. Zijn nummer.

Hallo,
Dit is mij nummer
-Tobias

Het bericht is erg formeel voor een whatsapp. Maar het had gek geweest als hij iets anders had gestuurd. Hij heeft nu een naam. Tobias. Ze gaat hem thuis gelijk een bericht sturen. Ze wil zo snel mogelijk met hem praten, maar wel als zij daarop voorbereid is.

Vind meer artikelen over
, , , , .

Geef een reactie

Wil je reageren, log dan in met Facebook of Twitter, of vul je naam en e-mailadres in.