Elke vrijdag verschijnt er een hoofdstuk van Geschetst. Kamaris' tekent al haar hele leven het verhaal van hem. De tekeningen worden steeds onheilspellender. Wie is de roodharige vrouw? Wat heeft Kamaris ermee te maken.

Hoofdstuk 6: Kamaris

Geschetst Hoofdstukken

Kamaris loopt rustig door de tunnel. Het gevoel dat iemand naar haar kijkt bekruipt haar. Ze kijkt achterom of de man, Tobias, misschien terug gekomen is. Maar als ze kijkt ziet ze niemand. Ze denkt terug aan het visioen, tenminste als het een visioen was, dat ze had.  Ze was in iemand anders lichaam, ze maakte iets mee. Iets wat hier gebeurd is. Of misschien nog moet gaan gebeuren . De rillingen lopen ervan over haar rug en ze begint wat sneller te lopen. Eenmaal in de open lucht vertraagd haar hartslag weer. Ze stapt op haar scooter en gaat naar huis.

Eenmaal thuis gekomen ziet Kamaris haar moeder op de bank zitten. Ze heeft rode ogen, alsof ze gehuild heeft. Moet ze ernaar vragen? Kan ze het beter negeren? Kamaris weet nooit zo goed in te schatten wat mensen willen. Willen ze rust of juist medelijden en begrip.
‘Ik ben weer terug,’ besluit ze dan maar te zeggen.  Haar moeder kijkt haar met een gekwelde blik in haar ogen aan.
‘Is er iets met pappa?’
‘Nee, er is niks. We eten iets later vanavond.’
Typisch haar moeder. Ze wil er niet over praten en begint dus maar over het eten.
‘Als er iets is, dan moet je het zeggen.’ Kamaris gaat naast haar moeder op de bank zitten. Het voelt wat ongemakkelijk maar toch slaat ze haar arm om haar moeders schouders. Kamaris hoopt, verwacht, dat haar moeder dit fijn vindt. Het tegenovergestelde lijkt waar te zijn. Hoe beter Kamaris haar best doet, hoe groter de afstand. Kamaris drukt een kus op haar moeders wang en staat op. ‘Ik ga naar boven toe.’

Kamaris zit op een bankje in een park. Op de grond naast haar ligt een rugzak. In haar hand houdt ze haar telefoon vast en in haar hoofd is het leeg. Ze kijkt om zich heen. Hoe is ze hier gekomen. Het laatste wat ze zich herinnert is dat ze thuis was. Dat ze met haar moeder praatte. Ze kijkt in haar rugzak. Een plastic zakje met daarin twee broodjes hagelslag, een vest, een zaklamp, een schetsblok, wat tekenspullen, haar telefoonoplader en een pakje kauwgom. Geen aanwijzingen die verraden waar en waarom ze hier is. Nu beseft ze zich pas hoe koud ze het heeft. Op haar armen hebben zich al een paar dauwdruppels verzamelt. Hoe lang zit ze hier al? Ze pakt het vest uit de tas en trekt deze aan. Haar telefoon speelt een paar seconden een jazzy melodie af. Haar sms toon, die heeft ze al een lange tijd niet gehoord. Nog voor ze het bericht leest, valt haar blik op de datum. De zeventiende! Woensdag de zeventiende. Het laatste wat ze zich kan herinneren was vorige week donderdag. Haastig opent ze het sms’je.

Blijf waar je bent!

In haar telefoongeschiedenis ziet ze dat ze al eerder berichten heeft ontvangen van dit nummer. De eerste was afgelopen donderdagavond.  Vanaf dat moment herinnert ze zich niets meer. Het bericht van die donderdagavond was al even duidelijk als deze;

Blijf thuis. Ga niet weg.

Alle andere berichten hadden een soortgelijke strekking. Het is duidelijk dat iemand wilt dat Kamaris blijft waar ze is. Maar ze hebben haar eerder niet gevonden. Dus ze zal wel steeds gevlucht zijn beredeneerd Kamaris. Ze kijkt weer om zich heen. Blijven of weggaan? Als ze weggaat waar moet ze dan heen? Na wat twijfelen besluit ze om in de buurt te blijven, maar op haar hoede. Ze pakt haar rugtas en loopt iets weg van het bankje. Het berichtje is net gestuurd. Zouden ze in de buurt zijn? Zouden ze eigenlijk wel hierheen komen. Ze had direct aangenomen dat iemand naar haar toe komt. Misschien is het juist wel gevaarlijk om weg te gaan. Dan denkt ze aan Tobias. Hij heeft hier ongetwijfeld iets mee te maken. Ze wil hem een whatsapp sturen, maar dan beseft ze dat ze hier geen internetverbinding heeft. Als ze het SMS-gedeelte opent ziet ze dat ze de afgelopen dagen al contact met Tobias gezocht heeft. Misschien weet hij wat er aan de hand is. Wat er de afgelopen dagen gebeurd is. Ze leest de berichten door die ze onderling verstuurd hebben. Vlak nadat ze het mysterieuze bericht gekregen had die donderdagavond heeft ze hem gevraagd of hij die gestuurd heeft. Hij reageerde dat hij dat niet geweest is en dat Kamaris op moest passen. Maar waarvoor moet ze oppassen? De vrouw? Slechts een kwartier later had zij hem een bericht gestuurd. Over mannen die aangeklopt hadden en in het huis wilde rondneuzen. Een onaangenaam gevoel bekroop Kamaris terwijl ze verder las. De volgende dag had zij hem weer een bericht gestuurd, dat ze weg was. Dat ze zich verborgen hield en niemand kon vertellen waar ze was. Waarom kan ze zich dit allemaal niet herinneren? Dan leest ze een van de laatste berichten dat hij gestuurd had. Twee dagen geleden.

Ik ben bij je huis geweest. Er is niemand. Je huis is helemaal overhoop gehaald en overal liggen papieren. Ik ben naar binnen gegaan. Op de vloer lagen een aantal van jouw tekeningen uitgestald. Ik heb ze meegenomen. Ook lagen er allemaal familiefoto’s en een paar oudere foto’s op de keukentafel. Die heb ik laten liggen. We moeten elkaar snel spreken. Er zijn dingen gaande waar je geen weet van hebt.

Daar heeft ze niet op gereageerd. Hij heeft haar nog vier andere berichten gestuurd waarin hij zegt dat ze elkaar moeten spreken. Dat het een kwestie van leven of dood is. Plotseling is Kamaris zich er heel erg van bewust dat ze midden  in het park staat. Open en bloot en een enorm makkelijk doelwit. Ze begint te rennen. Op het moment dat haar benen beginnen met bewegen heeft ze nog geen doel, maar haar hersenen halen dat snel in en ze rent richting de rand van het park. Tenminste de rand van de open plek. Ze hoopt dat het park vlak daarachter ophoudt. Dat ze de bewoonde wereld in kan. Als ze bij de rand aankomt lijkt het alsof het park daarachter nog eindeloos doorgaat. Misschien is ze niet in een parkje, maar in een bos? In de beschutting van de bomen en struiken die aan de rand van de open plek staan kijkt ze of ze op haar telefoon een GPS-signaal heeft. Niks. Dan hoort ze stemmen. Een van de twee stemmen, duidelijk een man, galmt over de open plek. De andere stem is zachter, meer fluisterend. Ook een man. Voorzichtig om geen geluid te maken schuifelt Kamaris naar achteren de bosjes in. Misschien zijn het slechts voorbijgangers, wandelaars. Maar dat risico wil ze niet nemen. Dan ziet ze iets in haar gezichtsveld bewegen. Het zijn de mannen. Ze komen heel doelbewust de open plek op lopen.
‘Ze zal wel weer weg zijn,’ buldert de zware stem.
‘Nee, dat is ze niet,’ de stem van de tweede man lijkt te glijden over de open plek. Als tentakels die elke hoek aftasten tot ze haar gevonden hebben. Dat de man zo stellig is dat zij er nog is baart Kamaris zorgen.
‘Meisje, kom maar.’
Kamaris, nu nog meer vastberaden om niet gevonden te worden, verroert zich niet. De mannen staan nu in het midden van de open plek. Ze staan vlak naast de bank. Ze kan de twee mannen nu goed zien. De bulderende stem komt van precies zo’n man die je bij die stem verwacht. Breed, lomp en gespierd. Aan zijn silhouet te zien heeft hij ook een klein buikje. De andere stem hoort bij een lange, iele man. Hij ziet eruit alsof hij bij een klein stootje al breekt, maar tegelijkertijd gaat er een dreiging van hem uit die aan lijkt te geven dat het niemand ooit lukt om dat ene stootje te geven.
‘Ga jij d’r zoeken?’ buldert het over het veld.
‘Zoeken?’ reageert de lange man vragend. Vastberaden loopt hij recht op Kamaris af. Kamaris weet dat hij haar nu nog niet moet kunnen zien. Daarvoor staat hij iets te ver weg. In de tijd dat hij met grote stappen dichterbij komt, schuifelt Kamaris langzaam naar achteren. Terwijl hij vrij spel heeft om de afstand te verkleinen, stoot Kamaris tegen een boom aan. Ze kan niet meer verder naar achteren. Ze maakt zich plat tegen de boom en drukt, van spanning, haar nagels in de bast van de boom.
‘Volg me dan, idioot,’ glijdt de stem van de man hem vooruit terwijl hij steeds dichterbij Kamaris komt. Als hij dan vlak bij de rand van de bosjes, zo’n twee meter van haar vandaan, staat, zweert Kamaris dat ze oogcontact maken. Toch houdt ze haar adem in. Zweetdruppels vormen zich op haar voorhoofd.
‘Ik zie niks,’ de basstem lijkt de bladeren van het struikgewas te doen trillen.
‘Ze moet hier zijn. Net was ze hier.’ sist de man die de leiding lijkt te hebben. Voor Kamaris voelt de hele situatie absurd aan. Ze staat middenin het gezichtsveld van de twee mannen, maar beiden lijken haar niet te zien. Ze wordt rustiger en voelt een pulserende kracht vanuit de boom haar vingers in stromen.
De man vist in de grote zakken van zijn mantelachtige jas naar zijn telefoon. Hij begint iets in te toetsen. Eerst begrijpt Kamaris niet goed wat de man doet, maar dan denkt ze met schrik aan haar telefoon. Ze had gelijk. Een paar seconden nadat de man de laatste toets ingedrukt heeft, vullen jazzy melodieën de stilte. De man kijkt haar recht aan. Hij kijkt richting de bron van het geluid. Ook de andere, lompere man zijn aandacht is nu duidelijk getrokken.
‘Kom maar meisje, we doen je niks.’
‘Laat die meid even opschieten, ik heb het koud.’ galmt de andere man over het veld. Duidelijk minder subtiel dan zijn collega. Ondanks dat de mannen nu de bosjes ingelopen zijn, zien ze Kamaris nog steeds niet. De slangachtige man pakt zijn telefoon weer en begint weer iets te toetsen. Met heel haar hart hoopt Kamaris vurig dat haar batterij op is. Dat haar verbinding wegvalt. Langzaam dwarrelt een blad naar beneden, Kamaris’ gezichtsveld in. Kamaris raakt gefascineerd door het blad. Alsof zij ook, een klein beetje, samen met het blad door de wind naar beneden gevoerd wordt. Dan blaast een hevige windstoot, die de boom waar Kamaris tegenaan staat doet kraken als rottend hout, het blaadje richting de twee mannen. Het blad komt in aanraking met de telefoon en lijkt wel elektrisch geladen. Met een sisser en wat geknetter valt de telefoon uit. Een paar kringeltjes rook stijgen uit het toestel op.
‘Au.’ De man laat de telefoon uit zijn handen vallen, terwijl er meerdere onsamenhangende klanken uit zijn mond ontsnappen.
‘Waar ben je.’ sist de man nu een stuk onvriendelijker.
‘Wat was dat?’ vraagt de ander dom.
‘Magie.’
‘Magie?’
Ondertussen staat Kamaris nog steeds tegen de boom aan geklemd. De pulserende kracht die door haar vingers stroomt lijkt af te nemen. Ondanks dat Kamaris daar niet heel veel aandacht aan besteed, krijgt ze er toch een onaangenaam gevoel door. Meerdere bladeren beginnen naar beneden te vallen, alsof het herfst is. Het lijkt alsof de wind de honderden bladeren richting de twee mannen begeleidt. Vanaf het moment dat het eerste blad tegen de arm van de spierbundel aanwaait vullen gesmoorde kreten het park met geluid. Elk blad laat een rode plek achter op de huid van de mannen. De twee mannen rennen snel de bosjes uit de vlakte op. Dit is haar kans denkt Kamaris. Ze laat de boom los en rent dieper de bosjes in. Vanaf het moment dat ze de boom loslaat klinkt er een gevaarlijk gekraak. Het gekraak wordt gevolgd door een plof. Als ze vluchtig een blik achterover werpt, ziet ze wat ze al vermoedde. De boomstam was omgevallen. Het laatste wat ze nog ziet voor ze weer naar voren kijkt, is dat de boom van binnen helemaal rot is.
‘Daar gaat ze!’ roept een van de mannen. Voor Kamaris is dat genoeg motivatie om nog harder te rennen.

Na een kwartier rennen is er nog steeds geen uitgang of iets dergelijks in zicht. Kamaris begint in te zien dat ze waarschijnlijk in een groter bos zit dan het kleine parkje waar ze eerst dacht te zijn. Terwijl ze om zich heen kijkt blijven haar benen bewegen. Achter zich hoort ze niets meer van de mannen. Toch rent ze door. Ze heeft geen idee hoelang ze al rent. Als ze stopt is ze helemaal op. Ze is, waarschijnlijk, een stuk dieper in het bos geraakt. Overal om haar heen staan bomen en struiken zonder duidelijk pad. Een paar minuten staat Kamaris uit te puffen, leunend tegen een boom. Nu ze stilstaat heeft ze tijd om na te denken over wat er zojuist gebeurd is. Het lijkt alleen geen zin te hebben. Ze kan zichzelf geen antwoorden geven, ze weet niet eens zeker of ze wel gelooft wat er net gebeurd is. Misschien heeft iemand haar wel drugs toegediend en is ze ook daarom zoveel dagen kwijt. Haar hersenen willen het geloven, maar haar gevoel zegt haar dat dit niet zo kan zijn. Er is meer aan de hand en Tobias weet er van. Ze pakt haar telefoon en heeft gelukkig nog bereik. Ze belt Tobias een paar keer, maar hij neemt niet op. Dan stuurt ze Tobias maar een SMS.

We moeten inderdaad praten, er gebeuren vreemde dingen. Ik weet niet waar ik ben. Ergens in een bos. Ik weet niks van de laatste paar dagen. Bel me.

Ze loopt verder door het struikgewas. Ze heeft geen idee welke kant ze op moet, maar het idee om terug naar de twee mannen te gaan spreekt haar niet aan. Dus ze loopt verder. Op een gegeven moment, ze weet niet precies hoe veel later, wordt het struikgewas weer iets minder dicht. Ze komt weer in de buurt van een open plek. Zodra Kamaris dit doorheeft gaat ze langzamer lopen. Je moet voorzichtig zijn. Als ze aan de rand van de begroeiing komt, kijkt ze de open plek op. Daar in het midden van de open plek staat een vrouw. De vrouw draagt een lange, middeleeuws aandoende, witte jurk. Haar huid is bleek. Kamaris kan haar gezicht niet zien, maar ze ziet wel het rood krullende haar dat langs de vrouw haar schouders over haar rug valt. De vrouw draait zich om. Haar hals wordt door een met groene smaragden ingelegd collier gesierd. Maar vanaf het moment dat de vrouw zich omdraaide heeft Kamaris nergens meer aandacht voor. Het enige wat Kamaris ziet zijn de felgroene ogen van de vrouw. Ze staan triest. Voor haar staat zij, maar niet zoals Kamaris haar tekent. Ineens veranderd er iets aan haar blik. Deze wordt scherper. Killer. Ze loopt langzaam op Kamaris af. Dan wordt alles zwart.

Vind meer artikelen over
, , , , .

Geef een reactie

Wil je reageren, log dan in met Facebook of Twitter, of vul je naam en e-mailadres in.