Elke vrijdag verschijnt er een hoofdstuk van Geschetst. Kamaris' tekent al haar hele leven het verhaal van hem. De tekeningen worden steeds onheilspellender. Wie is de roodharige vrouw? Wat heeft Kamaris ermee te maken.

Hoofdstuk 7: Kamaris

Geschetst Hoofdstukken

Kamaris wordt wakker, haar hele lichaam voelt zwaar aan. Het zware gevoel staat in contrast met het lichte gevoel dat ze in haar hoofd heeft. Ze houdt haar ogen nog eventjes dicht. Ze open doen lijkt nutteloos en kost haar te veel kracht. Hoe langer ze wakker is hoe minder het zware gevoel op haar ledematen drukt en hoe beter haar zintuigen weer beginnen te werken. Ze voelt het zachte matras onder haar en de warme dekens boven haar. Maar de helderheid komt niet zonder prijs. Flitsen van een bos. Flitsen van twee mannen. Van een boom die aanviel. Van haar. Kamaris knijpt haar ogen nog dichter, voor zover dichte ogen dat kunnen. Ze hoopt de beelden in haar gedachtes te laten verdwijnen door gewoonweg niet te kijken. Helaas helpt het niet.

Na een paar minuten gelegen te hebben gaat Kamaris rechtop zitten. Ze zit nu midden op een tweepersoons hemelbed. De kamer is erg netjes, opgeruimd en zelfs gezellig. Maar nu ze zich weer volledig kan herinneren wat er gebeurd is, blijft Kamaris op haar hoede. Ze heeft nog steeds haar eigen kleren aan, jeans en T-shirt. Wel zijn haar schoenen uit. Langzaam, stapt ze van het bed af. Ze doet haar best om geen geluid te maken. De pluisjes van het tapijt kriebelen tussen haar tenen. De sfeer om haar heen is zo tegenstrijdig. Ze voelt zich gespannen, opgejaagd en angstig, maar alles lijkt zo verdomde relaxed, gezellig, knus en veilig. De kamer is niet heel groot. Naast het bed staat een klein nachtkastje en tegen een van de vier wanden staat een grote kast, met spiegels op de kastdeuren. De muren aan de weerzijden van het bed hangen vol foto’s. Kamaris stapt zachtjes, op haar tenen op een muur af. Ze bestudeert een aantal foto’s. De mensen op de afbeeldingen lijken gelukkig, het is steeds hetzelfde gezinnetje. Vier mensen, twee volwassenen, twee kinderen, een vader, een moeder, twee zonen. Ze lachen op elke foto’s en staan de hele tijd dicht bij elkaar. Ook op de andere wand worden vergelijkbare taferelen getoond. Kamaris loopt richting de deur van de slaapkamer. Ze legt haar oor tegen het koude hout en luistert. Stilte. Er lijkt niemand aan de andere kant te staan. Het huis is zo stil dat het verlaten lijkt. Kamaris duurt de deur langzaam open. De piepende scharnieren vullen het huis met hun geluid. Snel doet Kamaris een paar stappen terug. De kamer voelt veilig. Na even wachten is er geen reactie gekomen vanuit de woning. Er is echt niemand denkt Kamaris bij zichzelf. Of iedereen slaapt. Ze moet hoe dan ook stil blijven. Ze schuifelt de slaapkamer uit en komt in een hal terecht. Aan de overzijde ziet ze drie deuren. Badkamer en twee slaapkamers vermoedt ze. Naast haar deur is een trap. Ze kan direct naar beneden gaan of eerst in de kamers kijken en het risico nemen iemand te alarmeren. Ze twijfelt. Ze beseft zich dat hoe langer ze staat te denken, hoe groter de kans dat iemand haar ontdekt. Ze duwt langzaam de eerste deur open. De scharnieren waren gelukkig een stuk beter verzorgd dan die van haar kamer. Zoals ze verwachtte verschuilt de badkamer zich achter de deur. De badkamer is leeg, maar de vloer is nat. Er is onlangs iemand geweest. Iemand die de grond niet gedroogd had na het douchen. Ze trekt de deur weer dicht en iets minder voorzichtig loopt ze richting de tweede deur. Ook deze gaat stil open en toont een lege slaapkamer. Ze loopt naar de laatste deur en gooit hem open. Weer is de kamer leeg. Kamaris zucht opgelucht. Ze loopt de trap af. Na twee treden beseft ze dat ze nog steeds stil moet zijn. Langzaam en zachtjes loopt ze de trap af. Eenmaal beneden staat ze weer in een klein halletje. Drie deuren, een voordeur, een toilet en een deur die naar de woonkamer leidt. Die derde deur staat wagenwijd open. Ze loopt de woonkamer in die uit een Ikea brochure lijkt te komen. Ook hier is geen teken van leven.
‘Gezellig,’ mompelt Kamaris. Het enige wat deze woonkamer van een plaatje uit een woonmagazine onderscheidt zijn de foto’s van hetzelfde gezin dat boven ook afgebeeld stond. Ze loopt verder de ruimte binnen en kijkt de keuken in. Op het aanrecht staat een koffiemok en een kan met nog een restje koffie. Ze strijkt met haar vingers over het gladde oppervlak van de koffiekan. Warm. Nog een teken dat er onlangs iemand is geweest hier. Iemand die haar ontvoerd heeft? Iemand die haar gered heeft? Ze wil het eigenlijk niet afwachten. Toch, ze kan zich niet voorstellen dat het gezin dat haar vanaf elke wand toelacht hun huis openstelt voor ontvoerders en misdadigers. Ze zet een paar stappen richting het woongedeelte, bedenkt zich, en gaat weer terug. Ze ijsbeert een tijdje door de ruimte alvorens ze neerploft op de bank. Als ze gaat twijfelen, kan ze dat net zo goed doen terwijl ze lekker zit. Ze zit nog geen tien seconden of de telefoon gaat. Kamaris schrikt op. Ze beent op de telefoon af. Op het display zijn alleen maar nullen afgebeeld. Moet ze opnemen?

Ze neemt op, maar blijft stil. Ook aan de andere kant van de lijn blijft het stil.
‘Kamaris,’ klinkt een kille vrouwenstem.
Kamaris schrikt en wil de hoorn er direct opgooien. Ze voelt dat zij het is. Kamaris voelt de kracht die uit de stem vloeit.
‘Tot zo.’
De lijn valt stil. Zwaar ademend en met de telefoon in haar hand staat Kamaris in de huiskamer. Voor het raam hangen gordijnen die de kamer verduisteren. Ze wil ze openen zodat ze naar buiten kan kijken. Ze wil ze gesloten houden zodat niemand naar binnen kan kijken. Ze loopt richting de potsierlijke spiegel die aan de muur hangt. Ze kijkt naar zichzelf in de spiegel. Haar korte zwarte haar piekt alle kanten op en ziet er niet uit, maar als dat het ergste is mag ze niet klagen. Dan hoort ze dat iemand een sleutel in de voordeur steekt. De adrenaline giert door haar lichaam.  Snel scant ze de kamer opnieuw, nu gericht opzoek naar verstopplaatsen. De deur gaat open. Vlak voordat Kamaris de achtertuin in wil rennen ziet ze zichzelf niet in de spiegel. Wat? Ze ziet zichzelf niet in de spiegel. Gebiologeerd staart ze naar de lege spiegel. Ze steekt haar hand omhoog. Er gaat helemaal geen hand omhoog. Ze voelt het wel, maar ze ziet niets. Kamaris kijkt naar beneden, naar waar haar voeten zouden moeten zijn. Vloer. Iemand komt de hal binnenlopen. Kamaris loopt heel langzaam, om geen geluid te maken, richting de achterdeur. Nu ze niet gezien kan worden moet ze daar gebruik van maken. Dan komt haar mogelijke belager de woonkamer binnenlopen.
‘Tobias!’ gilt ze opgelucht.
Tobias kijkt geschrokken om zich heen en recht door Kamaris heen.
‘Hier,’ zegt Kamaris.
‘Kamaris?’ Tobias kijkt de kamer nu rustig rond.
‘Ik ben hier. Bij de eettafel,’ zegt Kamaris terwijl ze een stoel van de tafel afschuift.
‘Je bent onzichtbaar.’ Hij lijkt niet heel verbaasd. ‘Hoe heb je dat gedaan?’
‘Ik weet het niet,’ reageert Kamaris terwijl ze gaat zitten. ‘Hoe wordt ik weer zichtbaar?’
‘Je bent opmerkelijk nuchter onder je onzichtbaarheid,’ merkt Tobias op.
‘Inderdaad,’ alsof ze het nu pas beseft, ‘ik ben onzichtbaar…. Waarom ben ik onzichtbaar? Wat is er allemaal gebeurd? Wat is er gebeurd met die mannen in het park? Wie is die vrouw die ik steeds teken? WIE BEN JIJ? WAT IS ER AAN DE HAND?’ bij elke vraag wordt Kamaris paniekeriger.
‘Je bent er weer.’
Kamaris kijkt naar beneden en ze ziet zichzelf inderdaad zitten. Ze is weer zichtbaar.
‘Wat is er aan de hand?’ zegt Kamaris met een klein stemmetje. ‘Wat gebeurt er met mij?’
‘We hebben niet heel veel tijd, het is een lang verhaal.’
‘Vertel me dan de hoogtepunten..’ reageert Kamaris geïrriteerd. Ze weet dat ze dat eigenlijk helemaal niet mag zijn. Maar ze is het wel.
‘Oké, de hoogtepunten.’

Hij vertelt haar dat magie bestaat, alsof ze dat nog niet gemerkt had, maar de rest was nieuw voor haar. Er zijn vier type mensen. Twee types kunnen geen magie bedrijven, maar bevatten deze wel en twee kunnen wel magie bedrijven. Een van die types bevat zelf geen magie. Dat laatste type is Kamaris. Tobias bevat magie en kan deze bedrijven. Tobias kan de magie in zichzelf gebruiken en als het ‘op’ is, moet hij wachten tot het zich weer aanvult. Kamaris daarentegen gebruikt magie van anderen. Daarom tekent ze hem. Daarom tekent ze haar. Ze heeft haar hele leven hun magie gebruikt om te tekenen. Ze is verbonden met hen. Ze heeft zijn magie gebruikt om haar littekens en scheen te genezen. Ze heeft de levenskracht van de boom gebruikt om haar belagers in het park weg te jagen. Daarom was de boom helemaal rot van binnen nadat ze klaar was. Kamaris is de meest afhankelijke, maar meest machtige van alle magiërs.
‘Hoe kon ik net onzichtbaar worden? Als ik zelf geen magie bevat?’
‘Toen je de boom als het ware leegzoog, heb je een reserve aangemaakt,’ verklaard Tobias.
‘en opgemaakt,’ voegt Kamaris toe.
Het is stil. Kamaris neemt Tobias in haar op. Ze voelt zich tot hem aangetrokken. Anders dan ze zich ooit eerder aangetrokken tot iemand gevoeld had. Alles aan hem trekt haar naar hem toe. Ze wil niets liever dan haar gezicht naar het zijne brengen en wachten of hij zijn gezicht ook naar haar toe zou brengen. Misschien komt het alleen maar door hun magische band.
‘Kan een magische band ervoor zorgen dat je iemand aantrekkelijk gaat vinden?’ vraagt Kamaris verlegen.
‘Dat kan.’ Tobias staat op. ‘We moeten nu echt weg. De bewoners kunnen elk moment thuis komen.’
‘De bewoners? Je woont hier niet!?’
‘Later,’ kapt hij haar af.
‘Nee, nu.’
Tobias pakt een papier uit zijn tas. Een van haar schetsen. Ze ziet haar staan in de slaapkamer waar Kamaris zojuist wakker geworden is. Kamaris heeft haar getekend in dit huis. Dan herinnert Kamaris zich het telefoon gesprek. Hoe de kille stem ‘tot zo’ had gezegd. De rillingen lopen over Kamaris’ rug.
‘Later,’ bevestigt ze.

Vind meer artikelen over
, , , , .

Gepubliceerd op 12/09/2014 om 10:00 in Geschetst en Hoofdstukken.

Geef een reactie

Wil je reageren, log dan in met Facebook of Twitter, of vul je naam en e-mailadres in.