Elke vrijdag verschijnt er een hoofdstuk van Geschetst. Kamaris' tekent al haar hele leven het verhaal van hem. De tekeningen worden steeds onheilspellender. Wie is de roodharige vrouw? Wat heeft Kamaris ermee te maken.

Hoofdstuk 9: Kamaris

Geschetst Hoofdstukken

We lopen snel het huis uit. Tobias loopt voor mij, hij gaat richting de auto die op de oprit geparkeerd staat. Zou dat zijn auto zijn? Of leent hij die ook van een nietsvermoedend gezin vraag ik mij af. Toch loop ik snel om de auto heen en ga in de bijrijdersstoel zitten. We zeggen helemaal niets tegen elkaar. De stilte voelt ongemakkelijk. Ik kijk zijn kant op, terwijl hij zich focust op het autorijden. We rijden nu bijna de straat, waar het huis in staat, uit. Ik wil hem zo veel vragen. Maar ik ben hartstikke in de war. Vanuit de chaos die mijn gedachten moeten voorstellen kan ik niet de juiste vraag formuleren. En van de duizenden vragen die ik wel al bedacht heb weet ik niet welke ik stellen moet. Meer over magie, over haar krachten, over de vrouw met het rode haar, over de mannen die achter mij aanzaten en of hij zich ook tot haar aangetrokken voelt. Eigenlijk schaam ik mij een beetje dat ik die laatste vraag aan dit rijtje toevoeg. Hoe kan ik me hier nu druk over maken.
‘Waar gaan we heen?’ vraag ik dan maar.
‘Ik weet het niet. We moeten vluchten, maar in de buurt blijven.’
‘Weet jij wie de vrouw van mijn tekeningen is?’
‘hmm,’ hij kijkt mij even aan, maar richt zijn blik vervolgens zonder iets te zeggen weer op de weg.
‘Als jij bestaat, bestaat zij dan ook?’
‘hmm,’ alweer.
‘Weet je het niet of wil je het niet vertellen?’
Tobias blijft even stil. Kijkt in zijn achteruitrijspiegel en vervolgens naar mij.
‘We moeten langs je huis. Om te kijken of we uit kunnen vinden wie heeft ingebroken, waar je ouders zijn.’
Mijn ouders…. dat ik daar niet aan gedacht heb. Wat ben ik verschrikkelijk egoïstisch.
‘Dat denk ik ook.’
We rijden een uur en drieëntwintig minuten verder zonder dat er iets gezegd wordt. Niet dat ik dat geteld heb. In die tijd heb ik getracht orde te scheppen in mijn wirwar van gedachtes en vragen. Ook heb ik zeker een groot deel Tobias bestudeerd. Hij is heel erg gefocust op het rijden en een paar zweetdruppels wachten op zijn voorhoofd tot ze langs zijn gezicht naar beneden mogen glijden. Helaas zullen ze hun doel nooit behalen, want eens in de zoveel tijd strijkt hij met zijn mouw langs zijn voorhoofd. Ik vraag of we nog ver moeten rijden. We rijden al erg lang en ik heb eigenlijk geen idee waar we zijn.
‘Nog een uurtje.’
‘Hoe werkt magie dan? Waarom kan ik die dingen zonder ooit geoefend te hebben?’ vraag ik om de leegte te vullen.
‘Dat is een erg lang verhaal om in een keer te vertellen Kamaris. Ik weet niet waar ik zou moeten beginnen.’
‘We hebben nog een uur.’ zeg ik, er klinkt duidelijk een verlangen door in mijn stem.
‘Oke…,’ hij zucht, ‘ik zal het zo simpel mogelijk uit leggen. Je hebt dus sommige mensen, magiërs zal ik ze voor het gemak noemen, die magie kunnen gebruiken. Ik haal die magie uit mijzelf. Dat zit in mijn lichaam en vult zich langzaam aan door de magie die om ons heen hangt.’
‘Dat vertelde je net ook al. Wat gebeurt er als het op is?’
‘Nou ja, dan zou ik dood gaan. Voor magiërs geldt dat magie gelijk staat aan levenskracht. We kunnen eeuwig leven, maar hoe meer magie ik gebruik hoe ouder mijn lichaam wordt. Dus als ik echt door zou gaan totdat mijn magie op is, dan ben ik dood.’
Ik frunnik aan mijn mouwen en kijk naar mijn voeten. Tobias ziet het niet, hij kijkt toch naar de weg.
‘Jij daarentegen haalt magie uit alles om je heen. Zoals ik je net al vertelde was daarom die boom rot, je zette in het bos de levenskracht van de boom om in magie die jij kon gebruiken om onzichtbaar te worden.’
‘Of die mannen aan te vallen met blaadjes,’ vul ik aan. Het klinkt zo onnozel dat ik er onwillekeurig van moet lachen. Hij geeft me een rare blik, alsof het heel lang geleden is dat hij met een lachend meisje in aanraking is gekomen. Misschien is dat ook wel zo besef ik dan. Ik ken hem helemaal niet.
‘Hou oud ben je eigenlijk?’
‘Is leeftijd zo belangrijk voor je dan?’ zegt hij terwijl hij zijn wenkbrauwen een beetje optrekt. Ik zie zijn mond in een kleine glimlach opkrullen. ‘Ik ben gestopt met tellen,’ geeft Tobias daarna toe.

‘Als jij in gevaar bent neemt je magie het over, omdat je het nog niet beheerst,’ zegt Tobias verklarend, alsof ik hem een vraag gesteld heb. ‘Als je het leert beheersen dan kan je zelf bepalen wanneer je het inzet, maar is het vaak wel iets minder sterk. Dan komt het niet uit een oer-instinct. Maar dan heb je ook geen black-outs.’
‘Kan jij mij leren hoe ik mijn magie in moet zetten?’
‘De sleutel om magie te beheersen ligt in taal.’
‘In taal?’
‘Toen ik nog leerde mijn magie te gebruiken had ik een leermeesteres. Ze was dorpsoudste waar ik woonde. Het duurde drie jaar om alles onder de knie te krijgen. Je moet beginnen in de taal van je leermeester. Tenminste, dat is gebruikelijk. Om te leren hoe het werkt. Taal is een verraderlijk ding, er kan heel veel fout gaan. Als je een kleine misscommunicatie maakt met mensen, dan kan je dat nog verhelderen. Als je verkeerd communiceert met je magie kan dat heel verkeerd uitpakken,’ met pijn in zijn ogen kijkt hij me aan. Ik wil eigenlijk mijn ogen neerslaan, maar ik blijf hem aankijken.
‘Is er ooit iets vervelends gebeurt?’ vraag ik voorzichtig.
‘Nee.’
Het blijft stil in de auto totdat ik de omgeving begin te herkennen.
‘We zijn er bijna,’ constateer ik. Tobias reageert niet. Pas als we mijn straat inrijden kijkt hij me weer aan.
‘Magie, voelt als getintel,’ zegt hij rustig. ‘Begrijp je wat ik bedoel?’
Ik dacht gelijk aan dat tintelende gevoel dat ik elke keer voel als er iets onverklaarbaars gebeurt.
‘Ik denk het wel,’ ik hoor de twijfel in mijn stem. Ik vind het vreselijk om niet zeker te zijn. Normaal ben ik heel zeker van mijzelf, maar alles wat er gebeurd is doet mij continu twijfelen. ‘Ik ken het gevoel,’ verbeter ik mijzelf en ik kijk Tobias recht aan.
‘We gaan zo naar binnen en ik weet niet wat er gaat gebeuren. Er is iets gebeurd en er hangt misschien nog veel magie in de lucht. Doordat jij magie uit je omgeving haalt ben je daar erg vatbaar voor. Je magie zal bij paniek dus heel snel de overhand nemen, maar het kan ook tot visioenen leiden. Het kan je een beeld geven van wat er gebeurd is met die magie.’
‘Zoals in de tunnel,’ reageer ik vlot.
‘Toen ik je vond in de tunnel?’ hij kijkt me gespannen aan. Hij kijkt me zo intens aan dat ik niets anders kan doen dan zwijgend bevestigen.
‘Wat heb je gezien? Wat is er gebeurd?’ hij praat een stuk sneller dan eerst.
‘Ik keek vanuit de ogen van een man. Ik was in de tunnel op het treinstation. Toen kwam zij. Ze kwam op mij af en ik denk dat ze me toen vermoord heeft.’ Elke keer als ik iets vertelde over de magie krijg ik het gevoel dat ik langzaam gek word. Het klinkt zo bizar en ongeloofwaardig allemaal. Gespannen wacht ik zijn reactie af.
‘Oké.’

Ik word onzeker van Tobias, soms praat hij met me, maar op andere momenten slaat hij ineens dicht en lijkt hij geen gevoel meer te hebben.
‘Kamaris, als we zo naar binnen gaan en je voelt dat getintel, probeer het weg te drukken,’ zegt hij terwijl hij de oprit van mijn huis op rijdt.
‘Maar hoe moet ik dat dan doen?’
Tobias luistert of hoort me niet en stapt al uit de auto. Aan de blik in zijn ogen kan ik zien dat hij niet meer met me gaat praten. Het lijkt wel alsof er dingen zijn gebeurd in zijn leven waardoor hij soms dichtklapt. Dat kan ook haast niet anders als je eeuwig leeft. Net zoals dat ik nu niets anders kan dan uitstappen en mijn huis onder ogen komen. Zolang ik nog in de auto zit kan ik alles ontkennen. Maar zodra ik het huis binnenloop en zie dat mijn ouders –adoptieouders- weg zijn moet ik iets doen om ze te redden, maar ik ben geen held, geen reddende engel en ik ben bang dat Tobias dat ook niet is. Ik ga naast Tobias staan en samen lopen we door de poortdeur de achtertuin in.
‘Ik ben geadopteerd,’ zeg ik. Ik weet eigenlijk niet waarom.
‘Ik  weet het, ik heb foto’s gezien toen ik in je huis was.’
Eigenlijk weet ik precies waarom ik het zei. Ik probeer goed te praten dat ik niet continu aan mijn moeder denk. Dat ik mij niet non-stop afvraag waar mijn vader is. Voor mijn gevoel hoor ik mij veel meer zorgen te maken. Ik heb niet de meest warme opvoeding gehad, maar ze verdienen niet dat ik er zo koel onder ben. Ik voel me koud, kil en gevoelloos.

Samen lopen we het huis binnen. Het kleurloze huis. Alle lades zijn open getrokken. De hele keuken is een troep. Als ik de woonkamer inloop zie ik dat het ook daar een enorme chaos is. Op de grond liggen foto’s en tekeningen verspreid. Niet alle tekeningen, Tobias had er al een paar meegenomen. Tussen de foto’s zie ik er een van mij en mijn ouders. Pas als ik een traan zie vallen merk ik dat ik verdrietig ben. Dat ik iets voel. Dan beklemt het gevoel me. Een angst, angst voor hun welzijn, omsingeld me. Ik loop naar boven, ik wil niet dat Tobias me zo ziet. Boven is ook alles overhoop gehaald. Angstig voor wat ik in mijn slaapkamer aan zal treffen duw ik zachtjes de deur open. Ravage. Ik schrik niet echt meer, dit was wat ik had verwacht. Als automatisch loop ik richting mijn bureau. Een getintel verspreid zich vanaf mijn vingertoppen door mijn lichaam. Ik probeer ze weg te drukken, maar ik doe niet mijn best. Het voelt veel te vertrouwd en ik weet niet hoe ik ze weg moet drukken. In een trance loop ik naar mijn bureau en schuif ik wat spullen opzij. Ik leg een potlood neer en raap een leeg A4 van de grond.

‘KAMARIS!’
Ik schrik op. Naast mij staat Tobias te schreeuwen. Hij heeft zijn handen op mijn schouders gelegd en schudt me door elkaar.
‘Wat ben je aan het doen?’ vraag ik versuft.
‘Je bent er weer.’
‘Niet helemaal,’ mompel ik. Langzaam wordt ik wat helderder. Ik kijk naar mijn bureau. Er ligt een tekening, zoals ik al verwacht had. Ik schrik en kijk geschokt richting Tobias. Het valt me nu pas op dat hij er ook wat bleekjes uitziet. Op de tekening wordt ik aangekeken door het gezin dat ook ingelijst aan de muur hing in het huis waar we vandaan gekomen zijn. Echt kijken doen ze niet meer. Hun ogen zijn bloeddoorlopen en ze zitten in elkaar gezakt op de bank. Op de fauteuil naast de bank zit zij. Ze drink een kopje koffie uit eenzelfde kopje als waaruit ik die vanmorgen gedronken zou kunnen hebben. Ze zit waar ik gezeten heb. We zijn daar net op tijd weggegaan. Het gezin is net te vroeg terug gekomen.
‘Ik ben bang, Tobias.’ Ik kijkt Tobias aan. Hij kijkt ook naar mij. Ik besef mij dat het heel ongepast is, maar terwijl ik in zijn ogen kijk trekt er een ander soort tinteling door mijn lichaam. Een tinteling die ik ook niet weg wil duwen. Ik sta op en omhels Tobias. Ik begraaf mijn gezicht in zijn schouders en ruik zijn aftershave. Zoals zijn trui mijn gehuil dempt, dempt hij mijn verdriet en angst. Hij maakt zich los uit de omhelzing. Hoe stom het ook mag klinken, maar het voelt als een afwijzing. Toch kijkt hij me nog steeds aan. Heel langzaam komt hij met zijn gezicht dichter bij het mijne. Heel veel gedachtes schieten door mijn hoofd. Maar als hij zijn lippen op de mijne drukt verdwijnen ze allemaal.

Vind meer artikelen over
, , , , .

Geef een reactie

Wil je reageren, log dan in met Facebook of Twitter, of vul je naam en e-mailadres in.